Een trio vogelverschrikkers
Verenigd Koninkrijk – Zuid-Georgia | Anno 2025
Donderdag 2 oktober | Salisbury Plain – Fortuna Bay
Vrijdag 3 oktober | Stromness – Grytviken

Donderdag 2 oktober | Salisbury Plain – Fortuna Bay
Spekglad is het, buiten op het dek. Zelfs de zuidpoolkippen die op de reling neergestreken zijn, hebben het lastig met het ijslaagje. En al is er zout gestrooid, het blijft oppassen geblazen. Toch hebben we daar nauwelijks oog voor. Zo verbluffend is de omgeving waarin we terechtgekomen zijn.
In het oosten zijn de grillige pieken van een bergketen door een ijle ochtendnevel versluierd, terwijl de beloftevolle gloed van de dageraad aan intensiteit wint

Bay of Isles
In het oosten zijn de grillige pieken van een bergketen door een ijle ochtendnevel versluierd, terwijl daarachter de beloftevolle gloed van de dageraad geleidelijk aan intensiteit wint. Van de bergen rondom ons zijn alleen de besneeuwde toppen zichtbaar. Hun flanken zitten onzichtbaar achter een dichte mistlaag verscholen, alsof we naar een kunstwerk kijken dat de schilder nog moet voltooien.
Dit is de Bay of Isles. Iets meer dan twee dagen en vijftien uur heeft het ons gevergd om van Stanley op de Falklandeilanden hier voor de kust van Zuid-Georgia te verschijnen. Het is zes uur in de ochtend. De thermometer wijst – 2 °C aan, de koude wind maakt daar gevoelsmatig – 8 °C van.
Reuzenstormvogels |
|
Zuidpoolkip |
Naarmate de zon de nevels wegpoetst, komen de kale, besneeuwde bergen in al hun glorie tevoorschijn. Hier en daar drijft een kleine ijsberg op het water. In de verte kunnen we een enorme sneeuwvlakte zien. Salisbury Plain is dat, de plek waar we straks onze eerste landing op Zuid-Georgia zullen maken. In feite is het een sandr of een spoelzandvlakte, gevormd door het smeltwater van de Gracegletsjer. Daarvan kunnen we in de verre achtergrond nog net het tipje van zijn tong onderscheiden.
Hier zitten zo maar even zestigduizend broedparen. Salisbury Plain herbergt een van de vier grote koloniën van koningspinguïns op Zuid-Georgia

Salisbury Plain met duizenden koningspinguïns
Maar het zijn de minuscule zwarte stippen op de sneeuw die voor opwinding zorgen. Een blik met de verrekijker bevestigt het – dit zijn onze eerste koningspinguïns. Het lijkt wel alsof ze met duizenden zijn, maar schijn bedriegt. In werkelijkheid zitten hier zo maar even zestigduizend broedparen. Salisbury Plain herbergt een van de vier grote koloniën van koningspinguïns op Zuid-Georgia. Vooraan op het strand bemerken we hier en daar enkele ronde, grijze rotsblokken. Ook dat beeld is fout. Het zijn zeeolifanten die daar liggen te soezen.
Makkelijk is het niet voor de zodiacdriver om in het ondiepe water het keienstrand zo dicht mogelijk te naderen

Kwart voor acht. De scouts trekken er met een zodiac op uit om een geschikte landingsplaats te zoeken. Simpel is dat allerminst. Niet alleen moet het een veilige plek zijn met weinig rotsen en geen al te zware golfslag, maar ook mogen er zich geen dieren in de buurt ophouden, want die worden wij geacht niet te storen.
Een half uurtje later is het onze beurt. Vanuit de mudroom stappen we op een loopbrug waartegen de zodiac zachtjes op en neer dobbert. Met een stevige zeemansgreep helpen twee matrozen ons de overstap te maken. Dan varen we de kust tegemoet.
Gevaarlijk zijn ze niet, deze koningspinguïns, behalve wanneer ze in de rui zijn. Want dan zijn ze humeurig

Het plaatselijk ontvangstcomité
Makkelijk is het niet voor de zodiacdriver om in het ondiepe water het keienstrand zo dicht mogelijk te naderen. De buitenboordmotor moet hij omhoog klappen, waarna alleen de branding de rubberboot nog landwaarts stuwt. Daar staan vier leden van de expeditiestaf klaar om de zodiac op te vangen en hem precies op het juiste moment over 180° te roteren. Zo staat hij weer vertrekkensklaar met de neus zeewaarts gericht.
Even de benen overboord tillen en dan waden we door het ondiepe water aan land. Daar staat expeditieleider David klaar voor een laatste korte briefing. Knielen, zitten, liggen, kruipen of iets op de grond zetten – niets van dat alles is toegelaten, gezien het risico op verspreiding van de vogelgriep. Met rode vlaggetjes hebben de scouts twee mooie paden uitgezet, eentje oostwaarts naar de grote kolonie koningspinguïns en eentje westwaarts waar het vooral zeeolifanten zijn die onze aandacht zullen trekken.

Gevaarlijk zijn ze niet, deze koningspinguïns, behalve wanneer ze in de rui zijn, voegt David eraan toe. Want dan zijn ze humeurig. Een week of vier duurt dat en al die tijd kunnen ze niet naar zee, omdat ze hun beschermende vacht tegen de kou kwijt zijn. Dat betekent vier weken zonder voedsel – je zou van minder humeurig worden. Maar ook de pelsrobben en de mannelijke zeeolifanten houden we best goed in de gaten, want die zouden het weleens op hun heupen kunnen krijgen als ze vinden dat we te dicht naderen.
Onwillekeurig denken we aan Shackleton en zijn mensen die bij een temperatuur van – 30 °C tot aan hun knieën in de sneeuw wegzakten
|
|
|
Het is de pinguïnkolonie in het oosten die ons meteen aantrekt. Er staat een gure wind, maar de temperatuur is best draaglijk. Door een sneeuwlaagje een centimeter of tien dik stappen we ernaartoe. Onwillekeurig denken we aan Shackleton en zijn mensen die bij een temperatuur van – 30 °C tot aan hun knieën in de sneeuw wegzakten. En dat terwijl ze een slede van tientallen kilogram achter zich aan trokken.
Telkens pinguïns aanstalten maken om de corridor te kruisen, horen we geduldig te wachten tot ze voorbij zijn. Alsof ze over een onzichtbaar zebrapad waggelen

Koningspinguïns met 'crèche' voor kuikens
Kennelijk is er een brede corridor tussen de pinguïns die zich op het keienstrand ophouden en de dieren die meer landinwaarts zitten. Daar hebben de scouts gebruik van gemaakt om tussenin een pad uit te zetten. Wat niet betekent dat we vrije doorgang hebben. Telkens pinguïns aanstalten maken om de corridor te kruisen, horen we geduldig te wachten tot ze voorbij zijn. Alsof ze over een onzichtbaar zebrapad waggelen. Af en toe trekken nevelslierten over het land die de zichtbaarheid een tijdlang tot twintig, dertig meter beperken en dan weer wegdrijven.
De kuikens doen dan een pop-up en laten zich via een vorm van crowdsurfen over de hoofden van de andere kuikens heen naar de buitenrand stuwen

Zo bereiken we een deel van het terrein dat iets hoger ligt dan de rest. Van tussen het hoge tussacgras overschouwen we nu de weidse omgeving. Zo ver het oog reikt kan je koningspinguïns waarnemen, niet alleen beneden in de vlakte, maar ook hogerop tegen de berghellingen. Waarom ze zich de moeite getroosten om zo hoog te klimmen, is een raadsel. Kennelijk maakt het hen niet veel uit waar hun vaste stek zich precies bevindt, zolang ze maar met hun pootjes in de sneeuw staan. En net ver genoeg van elkaar. Dat wil zeggen, op pikafstand.

Een nest maken doen ze niet, beide ouders dragen beurtelings het ei gewoon op hun poten. Net zoals de keizerspinguïns overigens

Gemiddeld zijn koningspinguïns 70 tot 100 cm groot en wegen ze 9 tot 18 kg. In het wild kunnen ze tot 25 jaar worden. Verschil tussen mannetjes en vrouwtjes is er nauwelijks, want ze hebben beide een buikplooi om te broeden. Een nest maken doen ze niet, beide ouders dragen beurtelings het ei gewoon op hun poten. Net zoals de keizerspinguïns overigens.
Spoor van een rodelende koningspinguïn |
|
|
Wat onmiddellijk opvalt, zijn de crèches, de samenscholingen van honderden bruine, donzige kuikens van iets minder dan een jaar oud die daar quasi roerloos staan te staan. Doorgaans houdt een handvol volwassen pinguïns een oogje in het zeil. Door zo in een kring samen te klitten zijn de weerloze kuikens natuurlijk veel beter tegen roofdieren beschermd. En ook wat de winterse omstandigheden betreft, is het aangenamer als je zo dicht bij elkaar staat.
Alhoewel. In het midden van de kring kan de temperatuur behoorlijk oplopen, in die mate dat ze het daar veel te warm krijgen. Om daaraan te ontsnappen, passen ze een hoogst originele methode toe. Ze doen een pop-up en laten zich via een vorm van crowdsurfen over de hoofden van de andere kuikens heen naar de buitenrand stuwen.
|
|
|
Met die sierlijke kleurenpracht steken ze zelfs de iets grotere keizerspinguïns naar de kroon
|
|
|
Eigenlijk zijn ze nauwelijks om aan te zien, deze lelijke bruine haarbollen op poten. Je vraagt je af hoe daar over een maand of vijf zo'n mooie koningspinguïns uit kunnen voortkomen. Want fraaie vogels zijn het beslist, eens ze volwassen zijn, met hun oranje wangvlek en dito onderkaak die scherp contrasteren met hun zwarte gelaat en hun mooie zilvergrijze rug. Op hun hals gaat die oranje kleur gradueel in geel over om dan zachtjes uit te doven op de witte borst. Met die sierlijke kleurenpracht steken ze zelfs de iets grotere keizerspinguïns naar de kroon.
|
|
|
Wat ons evenmin ontgaat is het oorverdovende kabaal. Enerzijds heb je het ronkende geluid van de volwassen dieren dat je met het zoemen van de rotoren van een drone kan vergelijken, anderzijds heb je het fluitende gepiep van de kuikens. Voor pinguïns zijn zulke geluiden van levensbelang, want alleen op die manier vinden ouders hun kuiken terug wanneer ze met voedsel uit zee komen.
Het guanoparfum van een pinguïnkolonie kan immers zeer doordringend zijn, en allesbehalve aangenaam

Een penetrante geur, daar waren we op voorbereid. Het guanoparfum van een pinguïnkolonie kan immers zeer doordringend zijn, en allesbehalve aangenaam. Maar tot onze verbazing blijkt dat wonderwel mee te vallen. Want we staan bovenwinds, de koude wind waait van achter onze rug langs de gletsjer naar beneden.
Zuidpoolkip |
|
Pelsrobben |
Hier en daar lopen zuidpoolkippen rond. Met hun voorkomen als dat van een kip ogen ze onschuldig. Maar de koningspinguïns weten beter. Niet alleen zijn zuidpoolkippen aaseters, het zijn ook geduchte rovers en zelfs kleptoparasieten. Ze schromen zich niet het voedsel te stelen dat de pinguïns voor hun kuiken vergaard hebben. Ook durven ze een ei te stelen als ze daartoe de kans krijgen, of zelfs een weerloos kuiken aan te pakken als de ouders even niet opletten.

Zeeolifant, pinguïns, sneeuwstormvogels
Op zoek naar zeeolifanten trekken we nu westwaarts langs de kust. Enkele jonge pelsrobben stoeien wat in de sneeuw. Net zoals zeeolifanten zijn het vinpotigen, wat wil zeggen dat hun ledematen tot vinnen geëvolueerd zijn waarmee ze makkelijk kunnen zwemmen.

Pelsrobben
Maar pelsrobben kunnen hun achterste vinnen onder hun lichaam vouwen, zodat ze zich ook op het land vrij vlot kunnen voortbewegen. Dat kunnen zeeolifanten niet. Buiten het water bewegen zij zich al kronkelend voort, net zoals rupsen dat doen. Onderschat ze evenwel niet, heeft David ons nog gewaarschuwd. Over oneffen terrein en over korte afstanden zijn zeeolifanten ondanks hun logge lichamen soms sneller dan wij.
Buiten het water bewegen zeeolifanten zich al kronkelend voort, net zoals rupsen dat doen

Zeeolifant (m)
Voor de kust drijven enkele kleine ijsbergen. Een zeeolifantenmannetje ligt op het strand te soezen. Een groepje koningspinguïns drentelt er wat omheen zodat we een goede indruk krijgen van de enorme afmetingen van dit zeezoogdier. Zo'n stier kan tot zes meter lang worden en drie tot vier ton wegen. Zijn neus is tot een soort slurf uitgegroeid die voor zijn mond hangt. Nogal hinderlijk, als je het ons vraagt. Die slurf en de enorme afmetingen van het dier, vormen de enige link met olifanten aan land. Voor het overige hebben beide soorten niets gemeen, maar deze zeehonden danken er wel hun naam aan – zeeolifanten.
Niet alleen zijn zuidpoolkippen aaseters, het zijn ook geduchte rovers en zelfs kleptoparasieten
Zeeolifant (m) met zuidpoolkip |
|
Pelsrob |
Dat dit zeeolifantenmannetje noodgedwongen een leven in eenzaamheid lijkt te slijten hoeft niet te verbazen. Men schat dat negen op de tien mannetjes simpelweg nooit aan paren met een wijfje toekomt. Dat heeft alles te maken met de sociale organisatie van de soort – wijfjes vormen steeds een harem rond één mannetje.
Men schat dat negen op de tien zeeolifantenmannetjes simpelweg nooit aan paren met een wijfje toekomt

Beachmaster (rechts) met zijn harem
Een eind verderop stoten we op zulk een harem. Een twintigtal wijfjes liggen er te rusten onder het toezicht van een mannetje, de zogenaamde beachmaster. Paren met deze wijfjes is zijn voorrecht, niemand anders mag dat. Af en toe vestigt hij daar luid brullend de aandacht op, in de hoop concurrenten bij voorbaat te ontmoedigen. Daagt er toch eentje op, dan leidt dat onvermijdelijk tot een hevig gevecht, bijna op leven en dood, getuige de vele diepe littekens die mannetjes aan zulke conflicten overhouden. Inspraak hebben de wijfjes bij dat alles niet. Gedwee ondergaan ze de gang van zaken.
Het mannetje heeft nog nooit van MeToo gehoord en schuift tegen haar zin zijn enorme lichaam over haar heen

Het mannetje probeert met een van de wijfjes te paren, maar die heeft daar op dit ogenblik duidelijk niet veel zin in. Het mannetje heeft nog nooit van MeToo gehoord en schuift tegen haar zin zijn enorme lichaam over haar heen. Daarmee is de strijd beslecht, denk je dan, want wijfjes wegen amper 650 kg, hij weegt het zesvoudige daarvan. Toch weet zij er telkens opnieuw aan te ontkomen. Zonder gevaar is dat niet. Stribbelt het wijfje te veel tegen, dan durft het mannetje haar weleens zeer hard te bijten. Wat soms tot de dood leidt. En van een jong een wees maakt die niet zelfstandig kan overleven.

Zeeolifanten (v) met pups
Dit is het begin van de lente, veel zeeolifantenwijfjes die hier liggen te dutten staan op het punt te bevallen. Subantarctische grote jagers weten dat ook. Roofvogels zijn dat, die het normaal op zeedieren, eieren, kuikens en aas gemunt hebben. Maar hun ervaring leert hun dat hier binnenkort lekkers in de vorm van nageboortes te rapen valt. In afwachting van dat eetfestijn zijn er alvast een handvol neergestreken, samen met enkele meeuwen.
Hun ervaring leert de jagers dat hier binnenkort lekkers in de vorm van nageboortes te rapen valt

Subantarctische grote jagers

Soms houden die vogels zich vervaarlijk dicht bij een van de twee pasgeboren pups op. Daar krijgen de moeders het behoorlijk van op hun heupen. Met een grauw en een snauw proberen ze de jagers af te schrikken. Soms lukt dat, soms lukt dat niet. Op hun vader moeten deze pups alleszins niet rekenen. Die zal geen vin uitsteken om hen te beschermen. Als beachmaster heeft hij immers belangrijkere zaken aan het hoofd.
Laarzen kuisen in de mudroom, strookjes klittenband met schuurborstels bewerken, regenbroeken afspoelen in de douche
Makkelijk is het niet om de zodiac tegen het brute geweld van de krachtige branding in positie te brengen. Uiteindelijk lukt dat dan toch en kunnen we de terugkeer naar de Magellan Explorer inzetten. Daar wacht ons het vertrouwde ritueel inzake bioveiligheid – laarzen kuisen in de mudroom, strookjes klittenband met schuurborstels bewerken, regenbroeken afspoelen in de douche. En dat laatste blijkt zelfs niet te volstaan. Zo vuil zijn de regenbroeken, dat er schuurborstels aan te pas komen.

Even na twaalf zetten we onze tocht langs de noordkust van Zuid-Georgia voort. De gelijkenis met de kust van Spitsbergen is sprekend. Hoge, grillige pieken bedekt met flarden sneeuw rijgen zich aan elkaar in een steeds wisselend panorama.

Na de lunch wordt het weer almaar beter. De wolken verdwijnen, de zon straalt aan de blauwe hemel, het zeewater kleurt azuurblauw alsof we ons in subtropische wateren bevinden. Zwarte strandjes van vulkanisch gruis schuiven in de verte voorbij. Aan de voet van de steile rotsen wemelt het van de zeeolifanten en de koningspinguïns.
Twee helikopters stortten neer, met veel moeite konden de inzittenden gered worden

Het zeewater kleurt azuurblauw alsof we ons in subtropische wateren bevinden. Zwarte strandjes van vulkanisch gruis schuiven in de verte voorbij

Fortunagletsjer
Dan komt de enorme Fortunagletsjer geleidelijk van achter het gebergte tevoorschijn. Een oogverblindend schouwspel is het. Hagelwitte sneeuw en lichtblauw ijs fonkelen in de zon. Toen Shackleton in het voorjaar van 1916 zijn heroïsche voettocht over de bergen naar Stromness maakte, was dit een van de grote obstakels die hij moest overwinnen.

Fortuna Bay
Niets laat vermoeden welke tragische gebeurtenissen zich hier in 1982 ten tijde van de Falklandoorlog afspeelden. Want hier was het dat Britse SAS-troepen in het kader van de geheime operatie Paraquet met helikopters een gedurfde landing maakten. Zo gedurfd, dat mensen die vertrouwd waren met het terrein de missie ten stelligste afraadden. Gelijk hadden ze, want de helikopters werden geconfronteerd met windstoten van bijna 100 knopen of 180 km/u. Twee helikopters stortten neer, met veel moeite konden de inzittenden gered worden. De wrakken van de helikopters liggen er nog steeds.

Køniggletsjer
In Fortuna Bay gaan we voor anker. Een enorme ijsberg is diep in de baai vastgelopen. Rondom ons verheffen zich besneeuwde bergtoppen van vier- tot zeshonderd meter. In de verte ontwaren we de Køniggletsjer, een zijtak van de Fortunagletsjer die deze vallei geboetseerd heeft.
Zuidpoolkip |
|
Zuid-Georgische pijlstaart |
Onze tweede landing op Zuid-Georgia zit er nu aan te komen. Voor de scouts is het even zoeken, want het water is woelig in deze baai, maar uiteindelijk vinden ze toch een geschikte landingsplaats waar rotsblokken de golfslag voldoende dempen.
Waar we vanmorgen met onze laarzen in de sneeuw wegzakten, is hier amper sneeuw te bekennen

Even voor vier gaan we er aan wal. Een spoelzandvlakte is dit, net zoals Salisbury Plain. Toch kan het verschil nauwelijks groter zijn. Waar we vanmorgen met onze laarzen in de sneeuw wegzakten, is hier amper sneeuw te bekennen. Want de Køniggletsjer heeft zich een heel eind landinwaarts teruggetrokken. Waar we over uitkijken is een uitgestrekte groene vlakte van mos en gras, met hier en daar enkele pollen van tussacgras.

Veel lijkt dat de koningspinguïns niet te deren. Hun kolonie bevindt zich een eind hogerop, dichter bij de sneeuw. Voor zover ze zich hier beneden ophouden, zoeken ze een van de beekjes op die het ijskoude smeltwater van de gletsjer afvoeren. Of reppen ze zich naar een van de schaarse flarden sneeuw die hier in de schaduw van de Breakwind Ridge voorlopig nog standhouden.
Sommige pelsrobben houden ons nieuwsgierig in de gaten, hun kopjes net zichtbaar achter het hoge tussacgras

Pelsrobben
Jonge, speelse pelsrobben laten het niet aan hun hartje komen. Vrolijk dartelen ze door het lage gras, sommige houden ons nieuwsgierig in de gaten, hun kopjes net zichtbaar achter het hoge tussacgras. Met de koningspinguïns zijn ze goede vriendjes, ze storen zich in het geheel niet aan elkaars gezelschap.

Pelsrob
Ergens in dat hoge tussacgras zit een reuzenstormvogel te broeden. Maar dat weten we enkel omdat de scouts het ons gezegd hebben, zelf kunnen we het dier niet zien. Om de vogel zeker niet te verontrusten hebben de scouts er immers een extra grote kring rond opgezet.
Zouden mensen dezelfde ontwikkeling doormaken, dan zou een baby van 3,5 kg tien jaar later 350 kg wegen

Pas bevallen zeeolifant met boreling
Zeeolifanten zijn nergens te bespeuren. Of toch. Op een strandje blijkt een eenzaam wijfje te liggen, de buik vol rode bloedvlekken. Naast haar ligt een boreling, waarschijnlijk nog geen vierentwintig uur oud. Meer dan veertig kilogram weegt hij zeker nog niet. Toch zal dit jong, als het een mannetje is, in de komende tien jaar tot een kolos van vier ton uitgroeien. Zouden mensen dezelfde ontwikkeling doormaken, dan zou een baby van 3,5 kg tien jaar later 350 kg wegen.

Dat hier nog geen zeeolifanten te zien zijn, heeft met het tijdstip in het jaar te maken, weet marien bioloog John uit ervaring. Over enkele weken zal je hier over de zeeolifanten struikelen. De stranden zullen bezaaid liggen met zwangere wijfjes. En nog een maand later zullen de pelsrobben hier massaal aan land komen.

Ooit was dit een van de favoriete terreinen van de rendieren die de Noorse walvisvaarders geïmporteerd hadden. Niet verwonderlijk, gezien de overvloed aan gras en mos. Maar intussen weten we dat het eiland sinds 2014 rendiervrij is.
Gaandeweg naderen we de kolonie van de koningspinguïns. Dat zien we, dat horen we, dat ruiken we

Gaandeweg naderen we de kolonie van de koningspinguïns. Dat zien we, dat horen we, dat ruiken we. Want ditmaal bevinden we ons benedenwinds, de valwind van de gletsjer duwt alle geluiden en geuren netjes onze richting uit. Toch valt dat al bij al mee. Vergeleken met het schouwspel van vanmorgen is dit dan ook een eerder kleine kolonie – slechts tienduizend broedparen.
Als alle donsveertjes mooi aansluiten, zorgt het laagje lucht ertussen voor een uitstekende isolatie

Ruimte hebben deze pinguïns in overvloed. Ruziën met de buurman is nergens voor nodig, ze kunnen volledig met zichzelf en hun gezinnetje bezig zijn. Vaak staan ze een tijdlang voorovergebogen zodat het lijkt alsof je naar een romp zonder hoofd kijkt. Dan zijn ze meticuleus hun verenkleed aan het verzorgen. Want dat moet in perfecte conditie zijn. Als alle donsveertjes mooi aansluiten, zorgt het laagje lucht ertussen voor een uitstekende isolatie. Het verenkleed is dan vrijwel ondoordringbaar voor water en wind.

Lantaarnvissen, inktvissen en krill zijn hun favoriete kost. Op zoek naar dat voedsel duiken ze honderd tot driehonderd meter diep en blijven ze makkelijk acht tot tien minuten onder water. Soms blijven ze wekenlang afwezig op zoek naar voedsel.

Maar foerageren doen ze niet alleen voor zichzelf. Ook het kuiken krijgt een deel van de vangst. Zodra de ouder naar de kolonie teruggekeerd is, zoekt hij of zij het kuiken op. Kennelijk volstaan de kreten die beide maken om elkaar terug te vinden. De ouder plaatst dan zijn of haar bek gekruist over die van het kuiken en hoest het deels verteerde voedsel weer op, recht in de bek van het kuiken.

Geduld is niet de sterkste eigenschap van de kuikens. Ze willen heel veel voedsel, en een beetje snel graag
Bedelen om voedsel |
|
Eentje heeft geluk |
Tot zover de theorie. Hoe dat in de praktijk gaat, kunnen wij geamuseerd waarnemen. Want geduld is niet de sterkste eigenschap van de kuikens. Ze willen heel veel voedsel, en een beetje snel graag. Hongerig staan ze hun ouder met hun spitse snavel in de lucht te belagen. Maar voedsel verteren en regurgiteren gaat niet zomaar. Dat vergt tijd, waardoor de ouder probeert het kuiken te ontwijken. Wat natuurlijk niet lukt. Uiteindelijk komt de transactie toch tot ieders tevredenheid tot een goed einde.
Waar is...? |
|
De wc is naar ginder |
Heel de nacht blijven we voor anker in Fortuna Bay.
Vrijdag 3 oktober | Stromness – Grytviken
Mist heeft de Magellan Explorer volledig in zijn greep terwijl we oostwaarts de noordkust van Zuid-Georgia volgen. Nauwelijks een kwartier later zijn de nevels verdwenen en is het fascinerende kustgebergte opnieuw in al zijn glorie zichtbaar. Zo gaat dat hier. Het is zes uur in de ochtend, we genieten er ten volle van.
Eind 19e eeuw werd het steeds duidelijker. Nieuwe jachtgebieden aanboren was de enige uitweg voor de walvisvaart

Cape Saunders
Even voor zeven gaan we voor anker in de baai van Stromness, het walvisstation waar Shackleton in 1916 plots als een duiveltje-uit-een-doosje van over de bergen tevoorschijn kwam. Het regent lichtjes, even valt er wat smeltende sneeuw.
Vandaag zijn het geen pinguïns, albatrossen of zeeolifanten die ons in de ban zullen houden, en evenmin grillige bergketens of enorme gletsjers. Vandaag staan onze activiteiten helemaal in het teken van historische gebeurtenissen op Zuid-Georgia. Saaiheid troef dan? Neen, integendeel. Want enerzijds zijn er de bloedstollende verhalen over de walvisvaarders, anderzijds is er natuurlijk Shackleton wiens schaduw over het eiland hangt.

Stromness
Eind 19e eeuw werd het steeds duidelijker. Nieuwe jachtgebieden aanboren was de enige uitweg voor de walvisvaart. Want door overbejaging was de walvispopulatie in de noordelijke Atlantische Oceaan zo goed als uitgeput. Winst viel daar niet meer te rapen. En de wateren voor de Amerikaanse kust waren sinds de onafhankelijkheid van de Verenigde Staten verboden terrein voor de Britten.
Had kapitein Cook al niet in 1775 over het abondante dierenleven in de Antarctische wateren gerapporteerd? Amerikaanse robbenjagers waren de eersten om de jachtgebieden in het zuiden aan te spreken. Hoeden van pelsrobbenbont waren indertijd immers erg populair, gezien de zeer dichte vacht van pelsrobben – alleen die van bevers was nog beter. Een ongebreidelde jacht op pelsrobben was het gevolg, wat bijna tot de uitroeiing van de soort leidde. Van de 2,5 miljoen pelsrobben waren er in 1900 wereldwijd naar schatting slechts zes- tot achtduizend over. Tegenwoordig raamt men hun aantal op ongeveer vijf miljoen.
In 1904 stichtte Carl Anton Larsen een walvisstation op de plek die wij tegenwoordig Grytviken noemen

Stromness – Walvisstation
De walvissen daarentegen waren tot dan toe in het zuiden grotendeels met rust gelaten. Daar zou nu snel verandering in komen. Al in 1892 trok de eerste Britse walvisexpeditie zuidwaarts. Het was echter een Noor, met name Carl Anton Larsen, die de geschiedenis een beslissende draai zou geven. In 1904 stichtte hij een walvisstation op de plek die wij tegenwoordig Grytviken noemen.
Al snel vormde Zuid-Georgia het epicentrum van de walvisjacht
Daarmee luidde Larsen een nooit geziene klopjacht op walvissen in de Antarctische wateren in. Al snel vormde Zuid-Georgia het epicentrum van die walvisjacht. In de jaren die volgden werden naast Grytviken en Stromness op het eiland nog vijf walvisstations opgericht – Prince Olav, Leith Harbour, Husvik, Godthul en Ocean Harbour. Het grootste daarvan, Leith Harbour, was operationeel tot in 1965 en beschikte over een ziekenhuis, een bibliotheek, een bioscoop en een smalspoorlijn.
Pelsrob |
|
Zuid-Georgische pijlstaart |
Van alle walvisachtigen waren bultruggen de eerste om door de walvisjagers bejaagd te worden. Want ze waren talrijk, ze waren makkelijk op te sporen binnen te halen en ze zwommen niet al te snel. Dat laatste gold ook voor de zuidkaper. Zijn Engelse naam right whale zegt het al, dit was een goede walvis – simpelweg omdat hij zo vriendelijk was niet naar de zeebodem te zinken eens hij gedood was.
Dat de natuurlijke evolutie toch nog een antwoord gevonden heeft op de onbeperkte walvisjacht – hoe bescheiden ook – is verrassend
Maar de technologische vooruitgang was niet te stuiten. Er kwamen snellere schepen in de vaart die op stoom of op diesel draaiden. Zich tevredenstellen met alleen maar de traagste onder de baleinwalvissen was niet langer nodig. Eens een bepaalde walvissoort gedecimeerd was, konden de walvisjagers het vizier letterlijk op de volgende soort richten. Achtereenvolgens moesten de blauwe vinvissen – de grootste levende wezens die ooit op aarde geleefd hebben – eraan geloven, vervolgens de gewone vinvissen, de noordse vinvissen en ten slotte de dwergvinvissen – de kleinste van allemaal.

Stromness – Walvisstation
Dat de vinvissen zwaar geleden hebben onder de walvisvaart is een understatement. Dat de natuurlijke evolutie daar toch nog een antwoord op gevonden heeft – hoe bescheiden ook – is verrassend. Want de bejaagde soorten zijn veel eerder geslachtsrijp. Voor 1930 waren gewone vinvissen pas rond hun tiende levensjaar geslachtsrijp. Tegenwoordig gebeurt dat al wanneer ze zes jaar zijn. Wetenschappers denken dat er door het kleinere aantal walvissen meer voedsel beschikbaar is aangezien er minder voedselconcurrentie is. Daardoor zouden de dieren sneller groeien en eerder de lengte bereiken waarop ze geslachtsrijp zijn.
Daar wacht ons de befaamde waterval waarlangs Shackleton, Crean en Worsley op 20 mei 1916 naar beneden kwamen

Half negen. De zodiac dropt ons op het strand. Een licht hellende wandeling van een kilometer of twee hebben we nu voor de boeg. Die zal ons landinwaarts door de brede Shackleton Valley tot aan de voet van het gebergte voeren. Daar wacht ons de befaamde waterval waarlangs Shackleton, Crean en Worsley op 20 mei 1916 naar beneden kwamen.

Shackleton Valley
Links in de verte zien we de ruïnes van het walvisstation van Stromness. Blijf daar minstens tweehonderd meter vandaan, heeft David ons gisteravond nog op het hart gedrukt. Bij windkracht 7 is het echt geen goed idee om tussen de wankele structuren en de rondslingerende rommel te gaan snuisteren. Bovendien zitten de gebouwen vol asbest.

Grosso modo volgen we nu een snelstromend beekje stroomopwaarts. Hier en daar is het terrein een beetje zompig. Soms waden we door een van de vertakkingen van het beekje. Het miezert een beetje, af en toe gaat de regen over in smeltende sneeuw. De treiterige tegenwind jaagt dan minuscule ijskristallen in ons gezicht. Zo hoort het. Want waar Shackleton en zijn twee kompanen afgezien hebben, past het niet om vrolijk in het zonnetje te lopen.

Op een heuvel aan onze linkerkant, dertig meter hoog, zit een kolonie ezelspinguïns. Makkelijk kan het niet zijn om zo hoog te klimmen. Bovendien giert de koude wind er ongehinderd over de heuveltop. Wat staan die pinguïns daarboven eigenlijk te doen in regen en sneeuw? Is het hier beneden misschien te warm voor hen?
Dus besloten ze zich aan een touw door de waterval te laten afzakken – ongeveer tien meter diep
|
Shackletons waterval |
|
Ruim een half uur stappen is het, dan staan we aan de voet van de waterval. Sir Ernest Shackleton himself, aka historicus Tennessee Blackmore, verwelkomt ons. Speciaal voor de gelegenheid heeft Tennessee precies dezelfde kledij aangetrokken als Shackleton indertijd. Met het nodige gevoel voor drama leest hij voor uit South, het reisverslag dat Shackleton zelf schreef: We hadden het vernis van de uiterlijke dingen doorboord. We hadden God in al Zijn glorie gezien, we hadden het manuscript gelezen dat de natuur ons openbaart. We hadden de naakte ziel van de mens bereikt. Waarmee hij te kennen gaf dat letterlijk niets hun nog restte na hun lange afmattende tocht – niets, behalve hun menszijn en hun overlevingsdrang.

Ze hadden rechtsomkeer kunnen maken, Shackleton en zijn gezellen, toen ze indertijd boven aan deze waterval verschenen. Ze hadden een makkelijker traject kunnen zoeken. Maar dat hield in dat ze op hun stappen moesten terugkeren. In de gegeven omstandigheden, doodmoe als ze waren, was dat psychologisch ondenkbaar. Dus besloten ze zich aan een touw door de waterval te laten afzakken – ongeveer tien meter diep.
Shackleton en Crean zouden als eersten over de gladde rotsen abseilen, terwijl Worsley boven het touw zou vasthouden. Dat was althans het voorstel van Worsley. Zelf zou hij dan als laatste naar beneden komen. Immers, hij was de lichtste van het trio. Mocht het touw loskomen, dan zou het voor de andere twee het makkelijkst zijn om hem op te vangen.
Zo gezegd, zo gedaan. Een voor een kwamen ze doornat maar veilig naar beneden. Ook Worsley. Het touw kwam niet eens los, om het even hoe hard ze er achteraf met z'n drieën aan rukten.
Naar schatting zijn de Zuid-Georgische pijlstaarten nog ongeveer met duizend. Voor een grotere populatie is er op Zuid-Georgia simpelweg geen ruimte

Zuid-Georgische pijlstaarten
Nog was het niet gedaan. Het enige wat hun nog te doen stond, was over relatief vlak terrein naar het walvisstation van Stromness stappen – precies hetzelfde traject als wat wij nu gaan doen. Maar zelfs dat viel niet mee. De zompige vlakte was met een ijslaagje bedekt. Het reliëf op de zolen van hun laarzen was volledig afgesleten, op dit spekgladde terrein hadden ze totaal geen grip. Geregeld maakten ze een pijnlijke val. Maar ze bereikten goed en wel het walvisstation, als een afzichtelijk trio vogelverschrikkers, om het met de woorden van Worsley te zeggen – al drie maanden hadden ze zich niet meer gewassen, al zes maanden droegen ze dezelfde kleren.
De treiterige tegenwind jaagt minuscule ijskristallen in ons gezicht. Zo hoort het

Het ene moment dwarrelt smeltende sneeuw rond je hoofd, even later neemt het zeewater een subtropisch kleurtje aan

Voor ons zal de terugkeer zo moeilijk niet zijn. Al is het ondertussen steeds meer beginnen te sneeuwen. Smeltende sneeuw wordt nu constant door de gure wind over de vlakte gejaagd, terwijl de bergtoppen zich in nevelen hebben gehuld. Gelukkig hebben we nu de wind in de rug. Maar nat worden we wel.

Enkele eendjes met een opvallende gele bek scharrelen in het gras. Het zijn Zuid-Georgische pijlstaarten, de soort komt enkel op dit eiland voor. Naar schatting zijn ze nog ongeveer met duizend. Dat lijkt ontstellend weinig, maar dat is het niet. Voor een grotere populatie is er op Zuid-Georgia simpelweg geen ruimte. Met de soort gaat het overigens erg goed, nu de ratten uitgeroeid zijn en de walvisvaarders verdwenen zijn. Want vroeger verdwenen deze eendjes weleens in de kookpot. Naar verluidt was geelbekpijlstaart het favoriete maal van kapitein James Cook.

Veel leven valt er in deze vallei voor het overige niet te bespeuren. Op het strand stoeien twee pelsrobben, een eenzame ezelspinguïn waggelt het water in op zoek naar voedsel, in de verte liggen enkele zeeolifanten te soezen.

Nog maar net heeft de MV Magellan Explorer het anker gelicht, of de zon breekt door de wolken. Ze schittert aan de blauwe hemel en zal die bevoorrechte positie vandaag niet meer prijsgeven. Aan stuurboord glijdt het zonovergoten kustgebergte langzaam voorbij, met zijn indrukwekkende geologische formaties, zijn scherpe besneeuwde pieken, zijn diepe kloven, zijn kale groene hellingen, zijn azuurblauwe kustwateren. Zo gaat dat hier – het ene moment dwarrelt smeltende sneeuw rond je hoofd, even later neemt het zeewater een subtropisch kleurtje aan.

Dan daagt King Edward Point op, het permanente onderzoeksstation dat tevens als administratieve hoofdstad van Zuid-Georgia fungeert. De Pharos, het schip dat namens de lokale overheid op de naleving van de visserijregelgeving toeziet, ligt er aangemeerd.
Het permanente onderzoeksstation King Edward Point fungeert tevens als administratieve hoofdstad van Zuid-Georgia

King Edward Point met de Pharos
Maar het is het voormalige walvisstation Grytviken, amper negenhonderd meter verderop, dat onze bestemming is. Want daar valt het een en het ander te beleven – ze hebben er een kerk, een museum, een postkantoor, een kerkhof en het enige walvisstation waar je tussen de installaties mag struinen.
Met de koplamp op het hoofd tijgen ze aan het werk voor een laatste preventieve controle, minutieus op zoek naar het minste illegale korreltje

Grytviken
Even voor twee wordt het ernstig. Via het PA-systeem kondigt David aan dat de officieren voor de controle van de bioveiligheid aan boord gekomen zijn. Eerst zullen ze zich over de voorzieningen van het schip buigen, maar straks, vooraleer we aan wal gaan, zullen zij ons in de mudroom staan op te wachten om ons aan hun spiedende blikken te onderwerpen.
Piekfijn voor de dag komen, daar draait het dus om. En dat gebeurt vandaag met meer dan gewone zorgzaamheid. Zo waken we er in de kajuit zorgvuldig over dat bij het aantrekken van de regenbroeken de uiteinden van de broekspijpen niet over het tapijt slepen. Want dan kunnen allerhande stofjes zich aan een strookje klittenband hechten. Ruggelings op het bed met de benen in de lucht schuiven we de broekspijpen over onze benen. Vervolgens krullen we de uiteinden omhoog zodat ze geen contact kunnen hebben met de vloer wanneer we ons door de gangen en de traphal naar de mudroom begeven. Jas, muts, handschoenen en dies meer onderwerpen we veiligheidshalve ook nog eens aan een laatste visuele inspectie.

King Edward Cove
Op weg naar de zodiacs worden we in de gang door John en Sandra van de expeditiestaf onderschept. Met de koplamp op het hoofd tijgen ze aan het werk voor een laatste preventieve controle, minutieus op zoek naar het minste illegale korreltje. Ook die check-up doorstaan we met verve.
Toch krijgt het zeeolifantenmannetje het op zijn heupen van al die drukte en waggelt hij eventjes vervaarlijk achter ons aan
Zeeolifant (m) met littekens van gevechten |
|
Zeeolifant (v) |
Gerustgesteld zakken we naar de mudroom af. Daar trekken we onze laarzen en ons reddingsvest aan en gaan vervolgens de confrontatie met Tracy aan, een lokale ambtenaar belast met het toezicht op de bioveiligheid. Dat blijkt niet de spreekwoordelijke matrone met de boze blik te zijn, maar een vriendelijke jongedame die ons zowaar met een glimlach begroet. Ze laat een kritische blik over elk strookje klittenband glijden, inspecteert de zolen van onze laarzen en verklaart ons vervolgens geschikt om aan land te gaan.

Pelsrobben in tussacgras
De zodiac dropt ons in de buurt van het kerkhof. Een eind verderop ligt een zeeolifantenmannetje in het ondiepe water te dutten, schijnbaar op veilige afstand. Toch krijgt hij het op zijn heupen van al die drukte en waggelt hij eventjes vervaarlijk achter ons aan. Maar kennelijk volstaat voor hem dit kort machtsvertoon en komt hij snel tot rust.
Alle graven liggen netjes evenwijdig met de kustlijn. Alleen dat van Shackleton staat daar loodrecht op, zodat hij eeuwig in de richting van 'zijn' Antarctica kijkt
Grytviken – Kerkhof |
|
Graf van Sir Ernest Shackleton |
Op het kerkhof staan Tennessee en Brent van de expeditiestaf ons op te wachten. Brent heeft kartonnen bekertjes en een fles Jameson mee – uiteraard een Ierse whiskey – om samen op Shackleton te toosten. Tennessee heeft de tekst van Prospice mee, een gedicht van Robert Browning, Shackletons favoriete 19e eeuwse dichter. Zoals de titel zegt, wil de dichter Vooruitzien, meer bepaald vooruitzien naar de dood. Niet om ervoor terug te deinzen, wel om ze met opgeheven hoofd tegemoet te treden. Dat is Shackleton op het lijf geschreven. Want een man moet tot het uiterste gaan om het leven te vervullen waarvoor hij bestemd is, lezen we op de achterzijde van zijn grafsteen.
Sommige graven op dit kerkhof zijn leeg, ze gedenken walvisvaarders en robbenjagers die op zee omgekomen zijn. Andere graven bevatten de slachtoffers van de tyfusepidemie die hier in de winter van 1912 uitbrak na de aankomst van een besmet schip uit Buenos Aires.
Opmerkelijk is de oriëntatie van de graven op het kerkhof – netjes evenwijdig met de kustlijn. Alleen dat van Shackleton staat daar loodrecht op, zodat hij van op de helling eeuwig in de richting van zijn Antarctica kijkt.
Noodgedwongen maken we een ommetje wanneer we naar het plaatselijk kerkje stappen. Want een zeeolifantenwijfje heeft zich op het pad neergevlijd en een ezelspinguïn staat er op zijn gemak een beetje te filosoferen. Dit is hun terrein, wij moeten ons schikken naar hun wensen.
Het houten kerkje werd in het Noorse Strømmen geprefabriceerd en vervolgens naar Zuid-Georgia verscheept
Walvisstation |
|
Noorse kerk van Grytviken (Hvalfangerkirken) |
Een typisch Noorse kerk is het, in 1913 gebouwd in opdracht van diezelfde Carl Anton Larsen. Zijn schoonzoon Adalbert Kielland tekende het ontwerp. Het houten kerkje werd in het Noorse Strømmen geprefabriceerd en vervolgens naar Zuid-Georgia verscheept. Hier werd het op eerste kerstdag 1913 ingewijd. Om middernacht weerklonken voor het eerst de twee kerkklokken die in het Noorse Tønsberg gegoten waren. Tegenwoordig mogen bezoekers nog altijd die kerkklokken luiden.
Sinds 1931 is de betrekking van predikant in Grytviken vacant
Vier huwelijken zijn in dit kerkje bezegeld, het laatste in 1999, luidens de annalen. Dat zal gecorrigeerd moeten worden. Want vandaag geven zowaar twee leden van onze expeditiestaf elkaar hier het jawoord. Op de stoelen in het kerkje liggen de ceremonieboekjes voor de genodigden al klaar. Zeven jaar geleden ontmoetten ze elkaar hier voor het eerst – John als wetenschapper werkzaam op King Edward Point, Laura als medewerker van de South Georgia Heritage Trust in het museum van Grytviken. Tegenwoordig wonen ze op de Orkneyeilanden – voor zover ze niet op een expeditiecruiseschip of op een of ander subantarctisch eiland aan de slag zijn.
Indertijd was Kristen Loren hier de eerste predikant. Maar al in 1914 gaf hij er de brui aan, niet zonder op te merken dat het religieuze leven onder de walvisvaarders veel te wensen overliet. Na hem beten nog een drietal predikanten hun tanden stuk op het ruige volkje. Sinds 1931 is de betrekking van predikant in Grytviken vacant.
Heel anders verging het Basil Biggs. In 1954 werd hij in Grytviken in een duobaan aangesteld – als klusjesman en als politieagent. Zijn uitrusting omvatte een uniform, een houten wapenstok, een fluitje en een stel handboeien. Veel had hij als politieagent niet omhanden, het gros van zijn tijd besteedde hij aan zijn taken als klusjesman – zoals elke ochtend de Union Jack hijsen voor het overheidsgebouw.
Toen Basil na vijftien jaar met pensioen ging, had hij zijn wapenstok, zijn fluitje en zijn handboeien nog nooit gebruikt
Noorse kerk van Grytviken (Hvalfangerkirken) |
|
Basil Biggs (Foto Historic Dockyard Museum, Stanley) |
Verscheen er een schip aan de horizon, dan trok Basil zijn politie-uniform aan en ging hij aan boord van het schip op zoek naar puro, een zeer sterke alcoholische drank. Officieel was Zuid-Georgia alcoholvrij, maar in de praktijk maakten veel zeelieden er een lucratieve bijverdienste van om de drank binnen te smokkelen en aan dorstige walvisvaarders te verkopen. Basils missie bestond er dan in de illegale puro te confisqueren en te vernietigen, en zo mogelijk de smokkelaars te bestraffen. Toen hij na vijftien jaar met pensioen ging, had hij zijn wapenstok, zijn fluitje en zijn handboeien nog nooit gebruikt.
In feite is de kerk in Grytviken het enige gebouw dat zijn oorspronkelijke functie heeft behouden. Van de Manager's Villa hebben ze het South Georgia Museum gemaakt, in een ander gebouw is het postkantoor met bijbehorend souvenirwinkeltje ondergebracht. 's Zomers leefden en werkten hier vierhonderd mannen. Allemaal waren ze bedrijvig in de verwerking van walviskadavers of in ondersteunende functies.
In die tijd telde Londen zo maar even vijfduizend openbare olielampen, er was dus een behoorlijk grote behoefte aan olie

Het walvisstation van Grytviken in volle bedrijvigheid. Aan de pieren liggen vijf walvisjagers aangemeerd. De Conquistador, het grote bevoorradingsschip, heeft zijn lading al gelost. Onderaan links staan tonnen walvisolie klaar om geladen te worden. (Foto South Georgia Museum, Grytviken)
Hoe de walvisjacht precies in haar werk ging, daar weet Tennessee het fijne van. Walvissen werden voor een breed gamma aan producten bejaagd. Zo werd uit de blubber, de dikke vetlaag net onder hun huid, walvisolie geproduceerd. Die werd als lampolie of als smeerolie gebruikt, maar ook voor de productie van margarine en voor diverse andere doeleinden. In die tijd telde Londen zo maar even vijfduizend openbare olielampen, er was dus een behoorlijk grote behoefte aan olie.

Walvisstation
Van de keratineplaten waarmee baleinwalvissen plankton uit het water filteren werden manden gemaakt, rijzwepen voor koetsiers, ribben voor paraplu's en dies meer. Het vlees en de botten van de walvissen werden tot meststof vermalen.

Traankokers
Potvissen waren daarenboven enorm gegeerd omdat ze ambergrijs leverden, een stof die gebruikt werd in de parfumerie, en spermaceti, een wasachtige substantie waarvan kaarsen, zeep, cosmetica en machineolie gemaakt kon worden.
De uitvinding van de granaatharpoen in 1870 door de Noor Svend Foyn bracht de walvisjacht in een stroomversnelling
Kraaiennest |
|
Harpoenkanon van de walvisjager Petrel |
De uitvinding van de granaatharpoen in 1870 door de Noor Svend Foyn bracht de walvisjacht in een stroomversnelling. Op het terrein voor het museum toont Tennessee ons een kanon waarmee zulke harpoenen afgeschoten konden worden. Weerhaken beletten dat de harpoen kon loskomen, eens ze zich in de walvishuid vastgezet had. Vervolgens kwam de explosieve lading in de harpoenkop tot ontploffing, wat tot de dood van de walvis leidde. Het kadaver kon nu met een lier naar het schip getrokken worden en eenmaal langszij kon het vol lucht gepompt worden om het drijvend te houden en aan wal te brengen.

Flensplatform
Tussen de ruïnes van het walvisstation wijst Tennessee het platform aan waarop de walvissen van hun blubber ontdaan werden – flenzen noemt men dat. Om het kadaver op het flensplatform te trekken werd vanaf de jaren dertig een enorme walvisklauw gebruikt. Die werd aan de staart van de walvis bevestigd en vervolgens werd het kadaver met behulp van krachtige stoomlieren naar boven getrokken.
Amper twintig minuten vergde het om een walviskadaver te versnijden. Tussen 1904 en 1965 zijn alleen al op Zuid-Georgia 175 250 walvissen verwerkt
Amper twintig minuten vergde het vervolgens om een walviskadaver te versnijden. Tussen 1904 en 1965 zijn alleen al op Zuid-Georgia 175 250 walvissen op die manier verwerkt. Dat zijn er gemiddeld acht per dag, meer dan zestig jaar lang. En dat is dan nog zonder de fabrieksschepen gerekend, die walvissen op volle zee konden verwerken en in diezelfde periode naar schatting een miljoen walviskadavers zagen voorbijkomen.
Try-pot |
|
Walvisklauw waarmee de walvis aan zijn staart op het flensplatform getrokken werd |
Aan land werd de dikke laag blubber eerst in lange stroken van het kadaver gesneden en vervolgens tot kleinere, hanteerbare stukken herleid. Die gingen de try-pot in, een enorme kookketel die gebruikt werd om olie op een open vuur uit de blubber te smelten. De olie kwam bovendrijven en werd in een tweede pot overgeheveld om onzuiverheden te laten bezinken.
Vooraan op de boeg van de Petrel prijkt nog steeds het harpoenkanon, helemaal boven op de mast herkennen we het kraaiennest

Walvisjager Petrel
Alsof hij zijn eigen bijdrage voor het museum wou leveren, is de Petrel, een walvisvaarder uit 1928, ter hoogte van het walvisstation aan de grond gelopen. Vooraan op zijn boeg prijkt nog steeds het harpoenkanon, helemaal boven op de mast herkennen we het kraaiennest van waaruit de horizon afgespeurd werd op zoek naar spuitfonteinen van walvissen.

Zuidpoolstern
Even voor zes zijn we terug aan boord van de MV Magellan Explorer, een uurtje later varen we de open zee tegemoet. Het rollen en stampen van het schip kan weer beginnen.
Zeer tevreden waren ze, de plaatselijke ambtenaren die daarstraks onze vestimentaire hygiëne geïnspecteerd hebben, meldt David fier tijdens de dagelijkse recap. 95 % was het streefcijfer, 85 % was het minimum minimorum, herinneren we ons van zijn toelichting vorige dinsdag – al hebben we nooit begrepen wat hij daar precies mee bedoelde. Maar nu blijkt onze score 100 % te zijn. Extremely well, noemt David dat. Hij schroomt zich niet ons zijn beste groep ooit te noemen. Zoveel loftuitingen, dat nemen we best met een korreltje zand.
Jaak Palmans
© 2025 | Versie 2025-11-30 14:00
Lees het vervolg in (4/6)